wied

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: wiet


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wied
enkelvoud meervoud
naamwoord wied -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

wied o

  1. onkruid.
    • Je moet het wied even weghalen. 
Vertalingen
Opmerkingen
  • Dit woord is het Surinaams-Nederlandse woord voor onkruid. Vroeger was het ook gangbaar in het Europese Nederlands.
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
wieden

wied

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieden
    • Ik wied. 
  2. gebiedende wijs van wieden
    • Wied! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieden
    • Wied je? 

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders
50 % van de Vlamingen.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /wiːd/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

wied

  1. ver
  2. wijd
  3. breed

Bijwoord

wied

  1. ver
    «Wie wied guuef 't nag tèl Mestreech?»
    Hoe ver is het nog tot Maastricht?


Maltees

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontwikkeld uit het Klassiek-Arabische واد (wādī; dal).

Zelfstandig naamwoord

wied

  1. vallei, dal.