gezondheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zond·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezondheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezondheid v

  1. (medisch) welbevinden, in goede staat zijn
    • Zijn gezondheid was gelukkig niet in gevaar. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Tussenwerpsel

gezondheid!

  1. een uitroep als iemand niest of hoest


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

gezondheid

  1. (medisch) gezondheid; welbevinden, in goede staat zijn


Veluws

Zelfstandig naamwoord

gezondheid

  1. (medisch) gezondheid; welbevinden, in goede staat zijn