gezondheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zond·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezondheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezondheid v

  1. (medisch) welbevinden, in goede staat zijn
    • Zijn gezondheid was gelukkig niet in gevaar. 
     Het was gek om mijn gezondheid helemaal in handen van deze wonderlijke techniek te leggen, maar het leek mij de meest efficiënte optie.[1]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Tussenwerpsel

gezondheid!

  1. een uitroep als iemand niest of hoest

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

gezondheid

  1. (medisch) gezondheid; welbevinden, in goede staat zijn


Veluws

Zelfstandig naamwoord

gezondheid

  1. (medisch) gezondheid; welbevinden, in goede staat zijn