retorisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·to·risch
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen retorisch retorischer
verbogen retorische retorischere
partitief retorisch retorischers -

Bijvoeglijk naamwoord

retorisch [1]

  1. van of als van de retorica
  2. bombastisch
  3. voorspelbaar en vanzelfsprekend
    • Betrayed (Constantin Costa-Gavras, 1988, VS). Politieke-thriller-specialist maakte minder overtuigende, retorische aanklacht tegen racistische terreur in VS. FBI-agente Debra Winger zoekt toenadering tot de van moord verdachte Tom Berenger, een weduwnaar met twee sproetige kindertjes. [2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen