Naar inhoud springen

vreugde

Uit WikiWoordenboek
  • vreug·de
  • In de betekenis van ‘blijdschap’ voor het eerst aangetroffen in 1348.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands (oorspronkelijk zuidelijk en oostelijk) vreuchde, vreughede, vrōghede, ontwikkeld met dialectische velaar uit Oergermaans *fruwiþō- ‘vreugde, blijmoedigheid’, bijvorm met umlaut van *frawiþō- (waaruit Mnl. nevenvormen vroude, vrowede), afleiding van *frawa- ‘vrolijk, opgewekt’, waarvan Mnl. vro(o), vroe; verder zie vrolijk.[2][3] Evenals (met umlaut) IJslands frygð; naast (zonder umlaut) Nederduits Freid en Duits Freude.
enkelvoud meervoud
naamwoord vreugde vreugden,
vreugdes
verkleinwoord vreugdetje vreugdetjes

devreugdev

  1. (psychologie) een blij gevoel
     Ik gooi mijn vreugde omhoog
    als vogels aan de hemel.
    De duisternis is weggefladderd
    en ik ben blij met het licht!
    [4]
     Toen ik zei dat ik helaas nog niet wist hoelang ik van plan was te blijven en dat ik hoopte dat dat geen probleem zou zijn, wuifde hij mijn zorgen weg met een elegant handgebaar en bezwoer hij mij dat het een eer was voor het etablissement en een persoonlijk genoegen voor hemzelf om mij als gast te mogen beschouwen en dat hij alleen maar kon wensen dat deze vreugde langdurig zou mogen zijn.[5]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]