vooruitlopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·uit·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vooruitlopen
liep vooruit
vooruitgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

vooruitlopen

  1. inergatief anticiperen op.
  2. ergatief vooruitgaan, eerder dan anderen op weg gaan.
Synoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord vooruitlopen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vooruitlopen o

Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be