front

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • front
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorzijde’ voor het eerst aangetroffen in 1683 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord front fronten
verkleinwoord frontje frontjes

Zelfstandig naamwoord

front o [3]

  1. voorkant, voorzijde
  2. voorste gevechtslinie van een leger in een oorlog, frontlinie
  3. (meteorologie) de begrenzing tussen twee luchtmassa's met een andere temperatuur
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Catalaans

enkelvoud meervoud
front fronts

Zelfstandig naamwoord

front m

  1. (anatomie) voorhoofd


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
front fronts

Zelfstandig naamwoord

front

  1. voorkant, voorzijde


Tsjechisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

front

  1. genitief meervoud van fronta