vergoddelijken/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van vergoddelijken | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | vergoddelijken | te vergoddelijken | ||||||||
| toekomend | zullen vergoddelijken | te zullen vergoddelijken | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben vergoddelijkt | te hebben vergoddelijkt | ||||||||
| toekomend | vergoddelijkt zullen hebben | vergoddelijkt te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| vergoddelijkend | vergoddelijkt | ev. vergoddelijk | mv. verouderd vergoddelijkt | vergoddelijke | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | vergoddelijk | vergoddelijkt | vergoddelijkt | vergoddelijkt | vergoddelijkt | vergoddelijken | vergoddelijken | vergoddelijken | |||
| verleden (o.v.t.) | vergoddelijkte | vergoddelijkte | vergoddelijkte | vergoddelijkte | vergoddelijkte | vergoddelijkten | vergoddelijkten | vergoddelijkten | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal vergoddelijken | zult/zal vergoddelijken | zult/zal vergoddelijken | zult vergoddelijken | zal vergoddelijken | zullen vergoddelijken | zullen vergoddelijken | zullen vergoddelijken | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou vergoddelijken | zou vergoddelijken | zou(dt) vergoddelijken | zoudt vergoddelijken | zou vergoddelijken | zouden vergoddelijken | zouden vergoddelijken | zouden vergoddelijken | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb vergoddelijkt | hebt vergoddelijkt | hebt/heeft vergoddelijkt | hebt vergoddelijkt | heeft vergoddelijkt | hebben vergoddelijkt | hebben vergoddelijkt | hebben vergoddelijkt | |||
| verleden (v.v.t.) | had vergoddelijkt | had vergoddelijkt | had vergoddelijkt | hadt vergoddelijkt | had vergoddelijkt | hadden vergoddelijkt | hadden vergoddelijkt | hadden vergoddelijkt | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal vergoddelijkt hebben | zal/zult vergoddelijkt hebben | zult/zal vergoddelijkt hebben | zult vergoddelijkt hebben | zal vergoddelijkt hebben | zullen vergoddelijkt hebben | zullen vergoddelijkt hebben | zullen vergoddelijkt hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou vergoddelijkt hebben | zou vergoddelijkt hebben | zou/zoudt vergoddelijkt hebben | zoudt vergoddelijkt hebben | zou vergoddelijkt hebben | zouden vergoddelijkt hebben | zouden vergoddelijkt hebben | zouden vergoddelijkt hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm vergoddelijkt worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt vergoddelijkt | er is vergoddelijkt | |||||||||
| verleden | er werd vergoddelijkt | er was vergoddelijkt | |||||||||
| toekomend | er zal vergoddelijkt worden | er zal vergoddelijkt zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou vergoddelijkt worden | er zou vergoddelijkt zijn | |||||||||
| lijdende vorm vergoddelijkt worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | vergoddelijkt worden | vergoddelijkt te worden | ||||||||
| toekomend | vergoddelijkt zullen worden | vergoddelijkt te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | vergoddelijkt zijn | vergoddelijkt te zijn | ||||||||
| toekomend | vergoddelijkt zullen zijn | vergoddelijkt te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word vergoddelijkt | wordt vergoddelijkt | wordt vergoddelijkt | wordt vergoddelijkt | wordt vergoddelijkt | worden vergoddelijkt | worden vergoddelijkt | worden vergoddelijkt | |||
| verleden (o.v.t.) | werd vergoddelijkt | werd vergoddelijkt | werd vergoddelijkt | werdt vergoddelijkt | werd vergoddelijkt | werden vergoddelijkt | werden vergoddelijkt | werden vergoddelijkt | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal vergoddelijkt worden | zult vergoddelijkt worden | zult vergoddelijkt worden | zult vergoddelijkt worden | zal vergoddelijkt worden | zullen vergoddelijkt worden | zullen vergoddelijkt worden | zullen vergoddelijkt worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou vergoddelijkt worden | zou vergoddelijkt worden | zou/zoudt vergoddelijkt worden | zoudt vergoddelijkt worden | zou vergoddelijkt worden | zouden vergoddelijkt worden | zouden vergoddelijkt worden | zouden vergoddelijkt worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben vergoddelijkt | bent vergoddelijkt | bent/is vergoddelijkt | zijt vergoddelijkt | is vergoddelijkt | zijn vergoddelijkt | zijn vergoddelijkt | zijn vergoddelijkt | |||
| verleden (v.v.t.) | was vergoddelijkt | was vergoddelijkt | was vergoddelijkt | waart vergoddelijkt | was vergoddelijkt | waren vergoddelijkt | waren vergoddelijkt | waren vergoddelijkt | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal vergoddelijkt zijn | zult vergoddelijkt zijn | zult vergoddelijkt zijn | zult vergoddelijkt zijn | zal vergoddelijkt zijn | zullen vergoddelijkt zijn | zullen vergoddelijkt zijn | zullen vergoddelijkt zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou vergoddelijkt zijn | zou vergoddelijkt zijn | zou/zoudt vergoddelijkt zijn | zoudt vergoddelijkt zijn | zou vergoddelijkt zijn | zouden vergoddelijkt zijn | zouden vergoddelijkt zijn | zouden vergoddelijkt zijn | |||