uitruimen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·rui·men
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitruimen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitruimen
ruimde uit
uitgeruimd
zwak -d volledig
  1. iets helemaal leegmaken
    • Maar toen kregen we zowaar zin in een project. Jarenlang hadden we van alles op zolder gestouwd wat we even kwijt wilden. Hij puilde uit en in het nieuwe jaar zouden we ’m uitruimen. We konden de ruimte goed gebruiken.[1] 
    • Belangrijke beslissingen maakt uw vrouw. De verlichting zal hoogstwaarschijnlijk anders moeten dan vorig jaar. Net als de ornamenten. U kunt helpen bij het inladen, uitruimen en neerzetten van de boom. Daarnaast is het verstandig te bevestigen hoe goed haar ideeën zijn.[2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 08 jan. 2018 ’Goed voornemen rotklus’
  2. de Telegraaf 10 dec. 2016 Versieren kerstboom is strijd der seksen