salir

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
salir
salissais
sali
tweede groep volledig

Werkwoord

salir

  1. bevuilen


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /sa.ˈliɾ/
Woordafbreking
  • sa·lir

Werkwoord

salir

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
salir
salía
salido
volledig
  1. (onovergankelijk) uitgaan, naar buiten gaan, uitrijden
  2. vertrekken
  3. verschijnen (van boek)
  4. opkomen (van de zon)
    «Todos los días sale el sol.»
    Iedere dag komt de zon op.
Synoniemen