salir
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| salir |
salissais |
sali |
| tweede groep | volledig | |
salir
- ↑ salir (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
- IPA: /sa.ˈliɾ/
- sa·lir
salir
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| salir |
salía |
salido |
| volledig | ||
- onovergankelijk uitgaan, naar buiten gaan, uitrijden
- vertrekken
- verschijnen (van boek)
- opkomen (van de zon)
- «Todos los días sale el sol.»
- Iedere dag komt de zon op.
- «Todos los días sale el sol.»
- [2] partir
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 5
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ir in het Frans
- Werkwoord in het Frans
- Overgankelijk werkwoord in het Frans
- Woorden in het Spaans
- Woorden in het Spaans van lengte 5
- Woorden in het Spaans met IPA-weergave
- Werkwoord in het Spaans
- Onovergankelijk werkwoord in het Spaans