uitbundig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bun·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bovenmatig’ voor het eerst aangetroffen in 1642 [1]
  • afgeleid van het Duitse ausbündig met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitbundig uitbundiger uitbundigst
verbogen uitbundige uitbundigere uitbundigste
partitief uitbundigs uitbundigers -

Bijvoeglijk naamwoord

uitbundig [3]

  1. het gewone of de maat overschrijdend, buitensporig, bovenmatig
  2. op drukke, opgewonden wijze gevoelens uitend
    • Tussen de aanvoerders, Damaaf aan zijn rechterkant en Ruald aan de linker, liep Nemo met Schoonheid op zijn schouder door de uitbundig versierde straten van Perspektivum.[4] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen