uitbundig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bun·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitbundig uitbundiger uitbundigst
verbogen uitbundige uitbundigere uitbundigste
partitief uitbundigs uitbundigers -

Bijvoeglijk naamwoord

uitbundig [2]

  1. het gewone of de maat overschrijdend, buitensporig, bovenmatig
  2. op drukke, opgewonden wijze gevoelens uitend
    • Tussen de aanvoerders, Damaaf aan zijn rechterkant en Ruald aan de linker, liep Nemo met Schoonheid op zijn schouder door de uitbundig versierde straten van Perspektivum.[3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 106