uitbundig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bun·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitbundig uitbundiger uitbundigst
verbogen uitbundige uitbundigere uitbundigste
partitief uitbundigs uitbundigers -

Bijvoeglijk naamwoord

uitbundig [2]

  1. het gewone of de maat overschrijdend, buitensporig, bovenmatig
  2. op drukke, opgewonden wijze zijn gevoelens uitend
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal