uitbundigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bun·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitbundigheid uitbundigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uitbundigheid v [1]

  1. het op een luidruchtige manier uiting geven aan een vrolijke stemming
    • ,,Onze gedachten en gebeden zijn bij de familie van Yordano, zei manager Dayton Moore van Kansas City Royals zondag. ,,Hij was jong en zo getalenteerd, vol jeugdige uitbundigheid. Hij bracht altijd bij iedereen een lach op het gezicht. [2] 
    • Zaterdagavond vierde de presentator een groot verjaardagsfeest. Op een boot, met vrienden, gezang en uitbundigheid. Daar werd ook bekend dat de geboren Fries weer iets nieuws erbij gaat doen: chief executive officer (CEO), jawel, bij een Brabants familiebedrijf: de JHB group. [3] 
    • Nu de voetbaldames de finale hebben gehaald, lijkt Nederland wakker te worden. Horecaondernemers stoffen de tv-schermen en beamers af en pakken groots uit om er om 17.00 uur een feest van te maken. Maar de uitbundigheid is bij lange na niet te vergelijken met de Oranjekoorts die normaal heerst bij een EK. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen