trom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trom
Een trom.
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘slaginstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1507 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord trom trommen
verkleinwoord trommetje trommetjes

Zelfstandig naamwoord

trom v/m

  1. (muziek) doos ofwel trommel overspannen met een vel waarop men slaat om muziek te maken
Schrijfwijzen
  • tromme (vroeger algemeen, tegenwoordig ongewoon)[2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Met stille trom vertrekken.

  • Stilletjes of ongemerkt weggaan.

Op de grote trom slaan.

  • Ergens met veel drukte of lawaai de aandacht op vestigen.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

trom m

  1. (spreektaal) metro
    «J'ai juste 6 stations de trom jusqu'à la teuf.»
    Ik heb nog maar 6 metrostations te gaan tot het feest. [1]

Verwijzingen


Iers

Bijvoeglijk naamwoord

trom

  1. zwaar