trommen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trom·men

Zelfstandig naamwoord

trommen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord trom

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.