Naar inhoud springen

overspannen

Uit WikiWoordenboek

(heteroniem)

  • over·span·nen
[A] stellendvergrotendovertreffend
onverbogen overspannenoverspanneneroverspannenst
verbogen overspannenste
partitief overspannensoverspanneners-

[A] overspánnen

  1. ziek door een te zware belasting op geestelijk vlak
    • Na dat zware jaar bleek hij toch overspannen te zijn geraakt. 
  2. (handel) overbelast, te actief (van een markt, de economie, enz.)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overspannen
overspande
overspannen
zwak -d

gemengd

volledig

[A] overspánnen

  1. overgankelijk te sterk uitrekken of buigen
    • Doordat het touw werd overspannen knapte het. 
  2. overgankelijk bedekken met iets dat wordt uitgespreid of uitgerekt
    • Het is ze gelukt het hele stadion te overspannen. 
vervoeging van: overspannen…
geen verbogen vorm

[A] overspánnen

  1. voltooid deelwoord van overspannen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overspannen
spande over
overgespannen
zwak -d volledig [B]

[B] óverspannen

  1. overgankelijk (van trekpaarden) voor een ander voertuig vastmaken
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]