transformator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·for·ma·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord transformator transformatoren
transformators
verkleinwoord transformatortje transformatortjes

Zelfstandig naamwoord

transformator m

  1. elektromagnetisch toestel dat toelaat de spanning te verhogen of te verlagen in een wisselstroomnet, met behoud van de frequentie
Afkorting
  • trafo (vooral gebruikt in Nederland)
  • transfo (vooral gebruikt in België)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen