transformator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·for·ma·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord transformator transformatoren
transformators
verkleinwoord transformatortje transformatortjes

Zelfstandig naamwoord

transformator m

  1. elektromagnetisch toestel dat toelaat de spanning te verhogen of te verlagen in een wisselstroomnet, met behoud van de frequentie
     Op een hoge tafel in de hoek stond een grote bakelieten radio met een verzilverde draaischijf waarin vooroorlogse zendstations waren gegraveerd. Waarschijnlijk zou hij met de juiste transformator nog aan de praat te krijgen zijn. Maar er zou niet dezelfde muziek uit opklinken als vroeger.[2]
Afkorting
  • trafo (vooral gebruikt in Nederland)
  • transfo (vooral gebruikt in België)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen