trafo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

transformator
Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·fo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trafo trafo's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trafo m [2]

  1. verkorting voor transformator een elektrisch apparaat dat dient om een wisselspanning om te zetten in een wisselspanning met een andere spanning
    • Een kleine 100 bedrijven op het Oldenzaalse industrieterrein het Hazewinkel hebben woensdagmiddag vanaf kwart voor twee tijdelijk zonder stroom gezeten. Dat was het gevolg van een brand in een transformatorhuisje aan de Ainsworthstraat. Om dit trafo-station spanningsloos te krijgen werd ook de stroom uitgeschakeld van 6 andere trafo-stations in de omgeving. De meeste bedrijven hadden na een uur weer stroom.[3] 
    • Een tikkie angstaanjagend, vooral als-ie levensgroot in je computerscherm floept, is de souvenir die Wilco Machielse uit Zeist instuurde. Maar wel prachtig, dit masker van hout met echte koeientanden en paardenhaar. Zijn ouders kochten het in de jaren '50 in Wallis, toen Wilco nog klein was. Áls kind liet ik groene 12 volt-lampjes in de ogen branden die ik met een trafo vanaf mijn slaapkamer bediende, om het bezoek van mijn ouders de stuipen op het lijf te jagen', mailt hij.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
19 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen