transformeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·for·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een andere vorm geven’ voor het eerst aangetroffen in 1483 [1]
  • afgeleid van het Franse transformer (met het voorvoegsel trans- met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
transformeren
transformeerde
getransformeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

transformeren overgankelijk [3]

  1. van gedaante doen veranderen
     Tijdens het eten van mijn pastaprutje transformeerde de lucht tot een oranje vuurzee door de ondergaande zon.[4]
     De strak opgemaakte kamer wist ik in no time te transformeren tot een stinkende rotzooi.[4]
  2. (elektrotechniek) in een ander voltage omzetten d.m.v. een transformator
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen