sur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Voorzetsel

sur

  1. op (ter aanduiding van een plaats)
    «Le chat est sur le lit.»
    De kat ligt op het bed.
  2. op (ter aanduiding van een tijdstip)
    «Je suis sur le point de partir.»
    Ik sta op het punt te vertrekken.
  3. op (ter aanduiding van een verhouding)
    «Une note de cinq sur dix.»
    Een cijfer van vijf op tien.
  4. op (ter aanduiding van herhaling)
    «Cet enfant fait étourderies sur étourderies.»
    Dat kind doet de ene onbezonnen daad op de andere.
  5. tegen
    «Il avait le nez sur la fenêtre.»
    Hij zat met zijn neus tegen het raam.
  6. naar
    «Tourner sur la gauche.»
    Naar links draaien.


Compass Rose nolabels.svg
N
E
O
S
NE
NO
SE
SO
NNE
NNO
ENE
ESE
SSE
SSO
OSO
ONO


Spaans

Zelfstandig naamwoord

sur m

  1. (windstreek) zuid



Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • sur
stellend vergrotend overtreffend
sur
surare
surast

Bijvoeglijk naamwoord

sur

  1. (scheikunde) zuur, met een lage pH
  2. zuur van smaak
  3. zuur, chagrijnig, nors
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen