stappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stap·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stappen
/ˈstɑ.pə(n)/
stapte
/ˈstɑp.tə/
gestapt
/ɣə.ˈstɑpt/
zwak -t volledig

Werkwoord

stappen

  1. (ergatief) een stap doen
    Wij stapten op de trein.
  2. een avondje uit gaan
    We zijn gisteren wezen stappen.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • naar de rechter stappen
een gerechtelijke procedure tegen iemand opstarten
  • in het huwelijksbootje stappen
gaan trouwen
  • uit het leven stappen
zelfmoord plegen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stap