stappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stap·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stappen
/ˈstɑ.pə(n)/
stapte
/ˈstɑp.tə/
gestapt
/ɣə.ˈstɑpt/
zwak -t volledig

Werkwoord

stappen

  1. ergatief een stap doen
    • Wij stapten op de trein. 
  2. een avondje uit gaan
    • We zijn gisteren wezen stappen. 
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • naar de rechter stappen
een gerechtelijke procedure tegen iemand opstarten
  • in het huwelijksbootje stappen
gaan trouwen
  • uit het leven stappen
zelfmoord plegen
  • Met het verkeerde been uit bed stappen
een slecht humeur hebben
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stap
     Door de eindeloze herhaling van mijn stappen werden mijn voeten langzaam beurs.[2]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen