uitstappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstappen
stapte uit
uitgestapt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitstappen

  1. ergatief uit een voertuig stappen
    • Ik stap bij de volgende halte uit. 
  2. ergatief zich uit een verband terugtrekken
    • Ik stap de raad van bestuur van deze vereniging uit. 
Antoniemen

Zelfstandig naamwoord

uitstappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitstap
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie