overstappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·stap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overstappen
stapte over
overgestapt
zwak -t volledig

Werkwoord

overstappen

  1. (verkeer) met een ander (openbaar) vervoermiddel de reis vervolgen
    • Als je van Almelo naar Arnhem wilt reizen, moet je in Deventer overstappen. 
  2. veranderen van studie, werk
    • Daar moet meer geld naar het compenseren van scholen die te maken hebben met veel ‘switchers’; leerlingen die stoppen en overstappen naar een andere hogeschool. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen