opstappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·stap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opstappen
stapte op
opgestapt
zwak -t volledig

Werkwoord

opstappen

  1. aftreden, weggaan
     Het inspectierapport, dat onder meer concludeert dat er sprake is van financieel wanbeheer op de school, vormt de belangrijkste onderbouwing voor Slobs vordering dat het bestuur moet opstappen.[1]
  2. op het zadel van een fiets gaan zitten om te gaan fietsen
    • De man liep naar zijn nieuwe fiets, stapte op met een sierlijke zwaai van zijn been en fietste fluitend weg. 

Zelfstandig naamwoord

opstappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord opstap

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Tjerk Gaulthérie van Weezel en Rik Kuiper “Gerechtshof brandt vingers niet aan inspectierapport over Haga Lyceum” (24 december 2019), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be