opstappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·stap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opstappen
stapte op
opgestapt
zwak -t volledig

Werkwoord

opstappen

  1. aftreden, weggaan
    • De president stapte op nadat hij de verkiezingen verloren had en wenste zijn opvolger veel succes. 
  2. op het zadel van een fiets gaan zitten om te gaan fietsen
    • De man liep naar zijn nieuwe fiets, stapte op met een sierlijke zwaai van zijn been en fietste fluitend weg. 

Zelfstandig naamwoord

opstappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord opstap

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.