afstap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afstap afstappen
verkleinwoord afstapje afstapjes

Zelfstandig naamwoord

afstap m

  1. een trede waardoor men lager kan komen o.a. nodig om uit een autobus te kunnen stappen.
    • De oude vrouw miste het afstapje waardoor ze viel en haar heup brak. 

Werkwoord

vervoeging van
afstappen

afstap

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afstappen
    • ... dat ik afstap. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be