overstap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord overstap overstappen
verkleinwoord overstapje overstapjes

Zelfstandig naamwoord

overstap m [1]

  1. overgang
  2. het overstappen in een ander vervoermiddel
  3. verhoging bij een hek die is aangebracht om daar makkelijk overheen te kunnen stappen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
overstappen

overstap

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overstappen
    • ... dat ik overstap. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen