srážka

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

srážka v

  1. botsing; een collisie van twee voorwerpen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /sraːʃka/
Woordafbreking
  • sráž·ka

Zelfstandig naamwoord

srážka v

  1. botsing; een collisie van twee voorwerpen
    «Srážka dvou autobusů si vyžádala osm lidských životů.»
    De botsing van twee auto's heeft acht mensenlevens geëist.
  2. (meteorologie) neerslag
    «V létě bylo velmi málo srážek — bylo velké sucho.»
    In de zomer was er weinig neerslag – er was een grote droogte.
  3. loonheffing; de inhouding van loonbelasting en premies
    «Za čistou mzdu lze považovat částku, získanou z hrubé mzdy po započtení všech srážek
    Als nettoloon wordt dat deel beschouwd, dat wordt verkregen uit het brutoloon na aftrekking van alle loonheffing.
  4. ruzie, conflict, strijd, woordenwisseling
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen