ruzie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ru·zie
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘twist’ voor het eerst aangetroffen in 1644 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ruzie ruzies
verkleinwoord ruzietje ruzietjes

Zelfstandig naamwoord

ruzie v

  1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
    • Zij kregen ruzie en keerden elkaar woedend de rug toe. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ruziën

ruzie

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruziën
    • Ik ruzie. 
  2. gebiedende wijs van ruziën
    • Ruzie! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruziën
    • Ruzie je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen