smeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smeer
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vet’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord smeer smeren
verkleinwoord smeertje smeertjes

Zelfstandig naamwoord

smeer m / o [3] [4] [5]

  1. (techniek) vet (om iets te smeren)
  2. vettig vuil
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
smeren

smeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smeren
    • Ik smeer. 
  2. gebiedende wijs van smeren
    • Smeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smeren
    • Smeer je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen