smeer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smeer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smeer smeren
verkleinwoord smeertje smeertjes

Zelfstandig naamwoord

smeer m / o [2] [3] [4]

  1. (techniek) vet (om iets te smeren)
  2. vettig vuil
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
smeren

smeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smeren
    Ik smeer.
  2. gebiedende wijs van smeren
    Smeer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smeren
    Smeer je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal