slide

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slide
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slide slides
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

slide m / v

  1. lichtbeeld als onderdeel van een presentatie
     Een slide met een uitvergrote afbeelding van het ebolavirus tijdens een presentatie over veiligheid in Los Angeles.[2]
     Ze vertelden boeiende verhalen over het succes en de mislukkingen, de strategie en het toeval in hun loopbaan. En in de laatste slide voegden ze daar, op verzoek van de organisatie, een advies aan toe voor de promotiekinderen in de zaal.[3]
  2. (muziek) buisje of staafje van metaal of glas waarmee een gitarist over de snaren van zijn instrument kan glijden terwijl hij die met zijn andere hand aanslaat, zodat er een zangerige klank ontstaat
     „De pedal steel heeft een onvergelijkelijk diep en complex geluid”, zegt ze. „Door al die verschillende boven- en ondertonen bij elkaar. Bij een piano bijvoorbeeld heb je de klank van drie snaren bij elkaar, de rest wordt gedempt. Bij de pedal steel zijn alle schakeringen te horen.” Ze noemt het een ‘ingewikkeld’ instrument. „Omdat je een toon op veel manieren kunt spelen, door een verschillend samenstel van de slide, vingerzetting, knie- en voetpedaal. (…)”[4]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. slide op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 16 april 2021 Weblink bron “Eerste tests ebola-vaccin in Duitsland” (10 november 2014) op trouw.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 22 april 2021 Weblink bron “ op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 22 april 2021 Weblink bron Hester Carvalho “Gitaar spelen als op ’n kerkorgel” (15 november 2012) op nrc.nl


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse slīdan.
enkelvoud meervoud
slide slides

Zelfstandig naamwoord

slide

  1. glijbaan
  2. lawine (van steen en aarde)
  3. schuif
  4. ventiel
  5. dia, transparant
Verwante begrippen
vervoeging
onbepaalde wijs to  slide 
he/she/it  slides 
verleden tijd  slid 
voltooid
deelwoord
 slid 
onvoltooid
deelwoord
 sliding 
gebiedende wijs  slide 

Werkwoord

slide

  1. slepen, schuiven
  2. glijden
  3. uitglijden
Overerving en ontlening