schlemiel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schle·miel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schlemiel schlemielen
verkleinwoord schlemieltje schlemieltjes

Zelfstandig naamwoord

schlemiel m

  1. (informeel) sukkel, domkop, slappeling
    • In deze klucht is koopman Jean een beetje een schlemiel die weliswaar meent dat hij alles onder controle heeft, maar in werkelijkheid de speelbal is van het bedrog door anderen. [5]
  2. (informeel) stakker, stumper, pechvogel
    • (...) is het prototype van de schlemiel, de stakker die eerder spotlust opwekt dan mededogen. [6]
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

schlemiel

  1. onhandig persoon
  2. stakker