sukkel

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • suk·kel
enkelvoud meervoud
naamwoord sukkel sukkels
verkleinwoord sukkeltje sukkeltjes

Zelfstandig naamwoord

sukkel m

  1. (scheldwoord) dom, onhandig persoon
    • Wat ben je toch een sukkel! 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
sukkelen

sukkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sukkelen
    • Ik sukkel. 
  2. gebiedende wijs van sukkelen
    • Sukkel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sukkelen
    • Sukkel je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be