schilder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schil·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verver’ voor het eerst aangetroffen in 1270 [1]
  • afgeleid van schild met het achtervoegsel -er [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schilder schilders
verkleinwoord schildertje schildertjes

Zelfstandig naamwoord

schilder m

  1. (beroep) (kunst) een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
  2. (beroep) een handwerksman die huizen schildert
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schilderen

schilder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
    • Ik schilder. 
  2. gebiedende wijs van schilderen
    • Schilder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
    • Schilder je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen