Naar inhoud springen

schilder

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Schilder
  • schil·der
  • In de betekenis van ‘verver’ voor het eerst aangetroffen in 1270 [1]
  • Afgeleid van schild met het achtervoegsel -er. Ter herkenning werd op een schild vroeger het wapen van de drager afgebeeld; degene die deze afbeelding aanbracht heette de schilder.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schilder schilders
verkleinwoord schildertje schildertjes

deschilderm

  1. (beroep) (kunst) een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
     Dat hij een goede schilder was, wist hij.[3]
     Wie kijkt er naar wie? De schilder naar de koning en koningin; de koning en koningin in een spiegel naar zichzelf; de kijker naar de koning en koningin in de spiegel; de kijker naar de schilder; de schilder naar de kijker, de kijker naar het prinsesje, de kijker naar de hofdames? Welkom in het spiegellabyrint van het menselijk leven.[4]
  2. (beroep) een handwerksman die huizen schildert
vervoeging van
schilderen

schilder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
    • Ik schilder. 
  2. gebiedende wijs van schilderen
    • Schilder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
    • Schilder je? 
     'Ik schilder ook een beetje, señor ' 'Ik zou graag eens wat van uw werk zien.[3]
     ' Olive krulde haar vingers, in de hoop dat hij de verf zou zien, zodat ze kon zeggen: 'O, ik schilder ook'.[3]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]