beschikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schik·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘regelen’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • afgeleid van schikken met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beschikken
beschikte
beschikt
zwak -t volledig

Werkwoord

beschikken

  1. inergatief beslissen, regelen
    • Hij beschikte zijn eigen lot. 
  2. inergatief ~ over: in bezit hebben
    • Ik zou graag beschikken over meer geld. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen