scheef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scheef
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schuin’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1] [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen scheef schever scheefst
verbogen scheve schevere scheefste
partitief scheefs schevers -

Bijvoeglijk naamwoord

scheef

  1. niet recht, niet onder een rechte hoek
    • Deze afbeelding maakt gebruike van een scheve projectie. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
jaloers zijn op iemand
  • de lampt hangt scheef.
het geld is op
  • er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op.
ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden)
  • schots en scheef zijn/staan
ongeordend door elkaar heen
  • zijn pruik staat scheef.
hij is gehumeurd
  • zo scheef als een krab
erg scheef
Vertalingen
Hennepscheven
Woordherkomst en -opbouw
  • (erfwoord): Middelnederlands scēve ‘klein stukje, schijfje, afval van vlas’, ontwikkeld uit Oergermaans *skibō-[3]. Evenals Nederduits Schääv, Duits Schäbe en Engels shive ‘schijfje, snede; scheef’.[4]
enkelvoud meervoud
naamwoord scheef scheven
verkleinwoord scheefje scheefjes

Zelfstandig naamwoord

scheef v/m [5]

  1. (vlasbewerking) stukje houtpijp, houtachtig afvaldeeltje van een vlas- of hennepstengel (in tegenstelling tot de vezels)
Synoniemen
  • (Belgisch-Nederlands): leem
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen