ribonucleïnezuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·bo·nu·cle·i·ne·zuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ribonucleïnezuur ribonucleïnezuren
verkleinwoord ribonucleïnezuurtje ribonucleïnezuurtjes

Zelfstandig naamwoord

ribonucleïnezuur o

  1. (biochemie) ribose bevattend nucleïnezuur, één van drie macromoleculen die essentieel zijn voor alle bekende levensvormen
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie