primo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Primo

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·mo
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

primo

  1. ten eerste
  2. op de eerste dag van de maand

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Latijn

Bijwoord

primo

  1. eerst, voor het eerst

Bijvoeglijk naamwoord

primo

  1. datief mannelijk enkelvoud van primus
  1. datief onzijdig enkelvoud van primus
  1. ablatief mannelijk enkelvoud van primus
  1. ablatief onzijdig enkelvoud van primus
Overerving en ontlening


Portugees

enkelvoud meervoud
primo primos

Zelfstandig naamwoord

primo m

  1. (familie) neef


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·mo
enkelvoud meervoud
primo primos

Zelfstandig naamwoord

primo m

  1. (familie) neef