practical

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prac·ti·cal
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
stellend
onverbogen practical
verbogen
partitief practicals

Bijvoeglijk naamwoord

practical

  1. handelend, praktisch
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[1]


Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be