copuleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·pu·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘paren’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • afgeleid van het Franse copuler (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
copuleren
copuleerde
gecopuleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

copuleren [3]

  1. inergatief (dierkunde) (seksualiteit) geslachtsgemeenschap hebben
    • Bij deze soort wordt er pas gecopuleerd na een uitgebreid paringsritueel. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen