gepaard
Uiterlijk
- ge·paard
| vervoeging van: | paren… |
| verbogen vorm: | gepaarde |
gepaard
- voltooid deelwoord van paren
- ~ gaan met tegelijkertijd optreden, onlosmakelijk verbonden zijn
- Een onweersbui gaat vaak gepaard met slagregens, hagel en windstoten.
- ▸ Zeebiologen waarschuwden begin vorig jaar al dat de aanhoudende recordtemperaturen van het zeewater tot grootschalige verbleking van het koraal zou leiden. Die hoge temperaturen zijn het gevolg van de klimaatverandering en het periodieke weerfenomeen El Niño, dat gepaard gaat met opwarming van het zeewater in de Stille Oceaan. De daarop volgende La Niña die op haar beurt voor afkoeling zorgt, duurde korter dan normaal, waardoor de riffen geen tijd hadden om te herstellen.[1]
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | gepaard |
| verbogen | gepaarde |
| partitief | gepaards |
gepaard [2]
- in paren verdeeld
2. gepaard gaan met
|
- Het woord gepaard staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "gepaard" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑
Weblink bron “Meer dan 80 procent van koraalriffen lijdt onder hittestress, mogelijk onherstelbaar” (23 april 2025), NOS - ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be