koppelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kop·pe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
koppelen
koppelde
gekoppeld
zwak -d volledig

Werkwoord

koppelen [2]

  1. (onovergankelijk) de koppeling van een voertuig bedienen
  2. (overgankelijk) vast aan elkaar verbinden
    De twee rijtuigen werden aan de trein gekoppeld en de reis begon.
  3. een liefdesrelatie tot stand brengen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal