paarde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar·de

Werkwoord

vervoeging van
paren

paarde

  1. enkelvoud verleden tijd van paren
    • Ik paarde. 
    • Jij paarde. 
    • Hij, zij, het paarde. 
Anagrammen