opwinden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opwinden opwindend
opwinding opgewonden
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·win·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opwinden
wond op
opgewonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

opwinden

  1. overgankelijk rond een as of klos wikkelen
    • Zij wond de draad op rond een klosje. 
  2. overgankelijk draaiend onder spanning zetten
    • Zij wond de oude wekker op, maar de veer begaf het. 
  3. overgankelijk in staat van agitatie brengen
    • Die onbeschofte opmerking wond hem vreselijk op. 
  4. wederkerend zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
    • Hij had zich daarover veel te veel opgewonden. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.