opstellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·stel·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opstellen
stelde op
opgesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

opstellen

  1. (overgankelijk) op zijn plaats zetten
    De camera's waren al opgesteld.
  2. (overgankelijk) op schrift zetten
    Het contract werd daarna snel opgesteld.
  3. (een theorie, een plan) ontwerpen

Zelfstandig naamwoord

opstellen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord opstel