opstellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·stel·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opstellen
stelde op
opgesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

opstellen

  1. overgankelijk op zijn plaats zetten
    • De camera's waren al opgesteld. 
  2. overgankelijk op schrift zetten
    • Het contract werd daarna snel opgesteld. 
  3. (een theorie, een plan) ontwerpen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

opstellen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord opstel

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.