oester

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oes·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord oester oesters
verkleinwoord oestertje oestertjes

Zelfstandig naamwoord

oester v/m

  1. (tweekleppigen) een weekdier met één platte en één bolle schelp
    • Oesters leven op vele verschillende plekken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie