mietje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • miet·je
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘homoseksueel’ voor het eerst aangetroffen in 1882 [1]
  • Verkorting van het verkleinwoord van sodomiet.
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord mietje mietjes

Zelfstandig naamwoord

mietje o dim. tant.

  1. doetje, kleinzielig persoon
    • Als ik van de ruzie was weggelopen, dan zou iedereen mij een mietje gevonden hebben. 
    • Wie niet meedoet wordt al gauw voor een mietje versleten. 
    • Liefde is voor mietjes. Echte mannen hebben seks. [2]
  2. (scheldwoord) homo
    • Als je als jongen niet voetbalt, maar danst, dan ben je al gauw een mietje. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen