homo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: homo-
Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·mo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord homo homo's
verkleinwoord homootje homootjes

Zelfstandig naamwoord

homo m

  1. mens [1]
  2. homoseksueel geaard persoon [2]
    • De homo kon gelukkig open over zijn geaardheid praten. 
  3. ⚠️(scheldwoord) iemand die onhandig is of niet bij een groep hoort
    • homo, de bal moet in het doel! 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

homo

  1. (spreektaal)  homoseksueel bn  [1]

Zelfstandig naamwoord

homo m

  1. (spreektaal)  homoseksueel zn  [1]

Verwijzingen