mache

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·che
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
mache
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gemacht
enkelvoud meervoud
1e persoon ich mach mir mache
2e persoon du machscht dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
macht
mache


3e persoon er macht sie
sie macht
es macht

Werkwoord

mache

  1. doen, maken
    «So heit will ich beschreiwe wie mer Dillgummere macht un weckduht.»
    Dus, vandaag zal ik beschrijven hoe men komkommer met dille inmaakt en bewaard.
Opmerkingen