lumen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lu·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘licht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1526 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lumen lumina
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lumen o

  1. (medisch) natuurlijke holte (ruimte)
    • Doch bij het konijn IV, waar de lumina wijd openstonden, in tegenstelling van die bij de andere, waar de lumina gewoonlijk waren saamgevallen, waren de "Ersatzzellen” verder uit elkander gelegen.[2] 
    • [...], maar wel steken de toppen der cellen vrij in het lumen uit, [...][2] 
enkelvoud meervoud
naamwoord lumen lumens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lumen m

  1. (natuurkunde), (eenheid) afgeleide SI-eenheid van lichtstroom, weergegeven met symbool lm
    • De lumen is een maat voor de totale hoeveelheid zichtbaar licht die een lichtbron in alle richtingen uitstraalt. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "lumen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 2,0 2,1 De Glandulae genitales accessoriae van het konijn voor en na castratie en resectie der vasa deferentia Pieter Cornelis Dirk Schaap, Van Huffel, 1899
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be

Meer informatie


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈluː.mɛn/
Woordafbreking
  • lu·men

Zelfstandig naamwoord

lūmĕn o

  1. licht, daglicht
  2. lamp, kaars
  3. oog
Verbuiging