lumen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lu·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘licht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1526 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lumen lumina
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lumen o

  1. (medisch) natuurlijke holte (ruimte)
    • Doch bij het konijn IV, waar de lumina wijd openstonden, in tegenstelling van die bij de andere, waar de lumina gewoonlijk waren saamgevallen, waren de "Ersatzzellen” verder uit elkander gelegen.[2] 
    • [...], maar wel steken de toppen der cellen vrij in het lumen uit, [...][2] 
enkelvoud meervoud
naamwoord lumen lumens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lumen m

  1. (natuurkunde), (eenheid) afgeleide SI-eenheid van lichtstroom, weergegeven met symbool lm
    • De lumen is een maat voor de totale hoeveelheid zichtbaar licht die een lichtbron in alle richtingen uitstraalt. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. "lumen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 2,0 2,1 De Glandulae genitales accessoriae van het konijn voor en na castratie en resectie der vasa deferentia Pieter Cornelis Dirk Schaap, Van Huffel, 1899

Meer informatie


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈluː.mɛn/
Woordafbreking
  • lu·men

Zelfstandig naamwoord

lūmĕn o

  1. licht, daglicht
  2. lamp, kaars
  3. oog
Verbuiging