kut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kut
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vrouwelijk schaamdeel’ voor het eerst aangetroffen in 1563 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord kut kutten
verkleinwoord kutje kutjes

Zelfstandig naamwoord

kut v/m

  1. (vulgair) (anatomie) vrouwelijk schaamdeel
    • Ik ben niet helemaal naar Den Haag afgereisd om te vertellen hoe een lul in een kut moet. [4]
  2. (vulgair) (figuurlijk) (scheldwoord) vervelende of domme vrouw
    ⚠️ Dit gebruik van het woord roept twijfels op over de gebruiker.
    • Hoe stom kun je zijn, domme kut? 
  3. versterkend voorvoegsel (vulgair) (pejoratief) gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterken
    • Door al die advertenties is het een kutsite geworden. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen kut
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

kut

  1. afkeurenswaardig, slecht, onaangenaam
    • Dat is toch gewoon kut? 
Vertalingen

Tussenwerpsel

kut

  1. woord gebruikt wanneer iemand schrikt of geschrokken is
    • Oh kut, dit gaat fout. 
    • Oh kut, dat ging maar net goed. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen