kramp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kramp
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘spiersamentrekking’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord kramp krampen
verkleinwoord krampje krampjes

Zelfstandig naamwoord

kramp v/m

  1. (medisch) een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
    • Ik kreeg kramp in mijn kuiten. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kramp krampe

Zelfstandig naamwoord

kramp

  1. (medisch) kramp