krampachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kramp·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen krampachtig krampachtiger krampachtigst
verbogen krampachtige krampachtigere krampachtigste
partitief krampachtigs krampachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

krampachtig

  1. met te ingespannen spieren en daardoor niet soepel
    • Krampachtig schoot de voetballer de bal in het doel. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen